Dit is een site voor studenten van de Open Universiteit. Voordat je een vraag kunt stellen moet je even een account aanmaken (dit systeem is niet gekoppeld aan je OU studentnummer en wachtwoord).

Welkom bij het vraag- en antwoord systeem van de onderzoeks-practica van de studie psychologie bij de Open Universiteit.

Houd er, als je een vraag stelt, rekening mee dat je de richtlijnen volgt!

Kan iemand mij het antwoord uitleggen bij vraag 46 van oefententamen 1?

0 leuk 0 niet-leuks

6.1 Een onderzoeker vindt in een steekproef van 100 deelnemers een correlatie van r = .23. De bijbehorende p-waarde is p = .02.

Wat betekent dit?

a Als de nulhypothese waar is, is de kans op een correlatie van .23 of extremer gelijk aan 2%.

b Als de nulhypothese waar is, is de kans op een type 1-fout gelijk aan 2%.

 

Hierbij is het juiste antwoord A volgens het nakijkmodel. De redenering begrijp ik hiervan, maar B zou wat mij betreft ook kunnen. Indien een Alpha van 0.02 wordt gekozen, oftewel 2%, is de kans op een type 1 fout hieraan gelijk. Dus als H0 waar is maar onterecht wordt verworpen heb je een type 1 fout, en de kans daarop is toch wel 2%?

gevraagd 5 februari 2017 in Anders door 851987524 (140 punten)

1 Antwoord

0 leuk 0 niet-leuks
De $p$-waarde is niet je alpha. Je alpha kies je voordat je data verzamelt. Er wordt vaak 5% (.05) gebruikt: dat betekent dat je de nulhypothese verwerpt als je een verband vindt dat zo sterk is dat je het in 5% van de steekproeven vindt aangenomen dat er geen verband is (de nulhypothese dus). Als er geen verband is, en je concludeert dat er wel een verband is, maak je een type 1-fout. Dat gebeurt dus in alpha% van de gevallen: de $p$-waarde die je in een gegeven steekproef vindt, heeft hier geen invloed op.
beantwoord 5 februari 2017 door gjp (63,910 punten)
...